VWO Duits

🇩🇪 Duits – Grammatica oefeningen

1 vwo

Persoonlijke voornaamwoorden

Lidwoorden

Naamvallen – basis

Präsens

Sein en haben

Ontkenning met nicht en kein

Voorzetsels

Bijvoeglijke naamwoorden

Trappen van vergelijking

2 vwo

Accusatief

Dativ

Accusatief of dativ

Persoonlijke voornaamwoorden in de naamvallen

Bezittelijke voornaamwoorden

Perfekt

Präteritum

Perfekt of Präteritum

Modalverben

Separable werkwoorden

3 vwo

Plusquamperfekt

Perfekt, Präteritum en Plusquamperfekt

Toekomende tijd – Futur I

Reflexieve werkwoorden

Wederkerende voornaamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden verbuigen

Voorzetsels met dativ

Voorzetsels met accusatief

Wechselpräpositionen

4 vwo

Genitief

Alle vier naamvallen

Bijvoeglijke naamwoorden in alle naamvallen

Relatieve voornaamwoorden

Relatieve bijzinnen

Konjunktiv II

Indirecte rede

Passief – Präsens

Passief – verleden tijd

5 vwo

Konjunktiv I

Konjunktiv II

Indirecte rede

Passief

Relatieve bijzinnen

Bijvoeglijke naamwoorden – gevorderd

Naamvallen en voorzetsels

Volgorde van zinsdelen

Bijzinnen

6 vwo

Indirecte rede – gevorderd

Konjunktiv I en II

Passief – gevorderd

Relatieve bijzinnen – gevorderd

Bijzinnen en woordvolgorde

Naamvallen – gevorderd

Bijvoeglijke naamwoorden – alle naamvallen

Voorzetsels en naamvallen